|
Welkom |
|
Publicatielijst |
|
De vrije sector |
|
Lezing op 25 september 2009 in de reeks Vers van het mes van Stichting Perdu in Amsterdam.
(…)
De voorafschaduwing
Niets dat ooit verdwijnt: onder het toegeëigende - hemel, vensterglas - zie je
het aangedragene. Wat is. Het
hulpeloze.
Messcherp gaat de spoorlijn door de velden.
Je sluit het zolderraam. Je weet dat je ogen stralen.
Dit gedicht, dames en heren, verscheen ruim veertien jaar geleden, in maart 1995, in De Revisor. De auteur was zeven jaar eerder gedebuteerd in Hollands Maandblad. Deze maand, 21 jaar na het tijdschriftdebuut, verschijnt mijn debuutbundel onder de titel Sterk zeil. In die 21 jaar heb ik poëzie geschreven, af en toe gepubliceerd in tijdschriften, me tamelijk enthousiast in het maatschappelijk leven gestort, enzovoorts enzoverder - maar al die jaren verscheen er geen bundel. Dat ik de wereld zou verrijken met een ISBN-nummer – ik heb er wel enige moeite voor gedaan, maar niet te veel.
De komende twintig minuten wil ik enige meditaties met u delen over het schrijven van poëzie en het fenomeen dichtbundel. Of dat een poëtica op gaat leveren, staat te bezien – een dichter vragen naar zijn poëtica doet nog het meest denken aan het bij een warmbloedig en uit volle overtuiging ademend menselijk wezen informeren naar zijn of haar identiteit. Wie antwoord geeft, neemt niet alleen afstand van zijn identiteit door ernaar te gaan kijken, maar dient zich bovendien te conformeren aan de systematiek van andermans begrippelijk discours. Het is een uitnodiging om zich volgens overgeleverde categorieën te ‘plaatsen’. Als u mij een identiteit of een rugnummer wilt toekennen – prima, en als het om u ging deed ik misschien hartstikke guitig mee, maar nu even niet.
Wat niet wegneemt, dat ik wel eens over dingen nadenk. Het gedicht ‘De voorafschaduwing’ zal niet verschijnen in mijn debuutbundel. Dat doet natuurlijk wel het titelgedicht:
Sterk zeil
En het moet wel zijn, vanaf het midden van je leven, dat het daar is, zonder plooi of kier beschermt het, geen licht of donker raakt je, weer noch wind ontzet, geen zwakke plek of aanraking van je hand.
Of dit gedicht:
De geboorte van het allegorische
Een magere man wijst niet, maar kijkt om zich heen. Voor hem ligt het dal en hij daalt af. Hij ziet de straten die hij kent, drinkt wat in het café, valt thuis in slaap. Hij is zich bewust van de stad, die ruist om hem heen als een groter deel van het geheel.
Of u dit geslaagde poëzie vindt, weet ik niet – en het doet er even niet toe. Wat belangrijk is, is dat u drie gedichten heeft gehoord die misschien het een en ander met elkaar te maken hebben, maar nog nooit in deze constellatie bij elkaar hebben gestaan. Onafhankelijk van elkaar of juist in en door deze constellatie worden er connecties gelegd met wat er zich aan denkbeelden en voorstellingen in uw hoofd bevindt dankzij uw levenservaring en uw eerdere lectuur. Omdat ik de gedichten heb voorgelezen, worden die connecties een voor een gelegd en tamelijk langzaam – in ieder geval niet sneller dan in het tempo waarin ik ze voorlees.
Maar het kan best sneller – als u zelf leest namelijk. Ook dan worden er connecties gelegd, maar in dat geval met de snelheid van uw oogbewegingen. De woorden, de volzinnen, de beelden die het gedicht vormen – razendsnel neemt u ze in u op en omdat de coherentie zich niet meteen gewonnen geeft, wordt u tot een concentratie gedwongen die u normaliter niet opbrengt als u letters tot u neemt. In een verbijsterend hoog tempo legt u de meest vreemde associatieve verbanden terwijl er van alles heel diep bij u resoneert en er ook nog zoiets als coherentie ontstaat. Vooral dat laatste is geweldig – zo geweldig dat ik er op terug zal komen.
Maar eerst een gedicht:
In elke betekenis
Je ging zitten en dacht na over wat je er liet zijn: alles om je heen.
Je weet: zijn is waargenomen worden te midden van kosmische straling, een onophoudelijk gonzen.
Je reflecteert over je zintuigen en rekt je languit, je ene hand raakt de andere: 2 m. 35 als je staat.
Je bedenkt: zijn is aangenomen worden in elke betekenis die je maar kunt bedenken.
Die jongen is goed van aannemen en het aannemen der zee.
Coherentie dus. Als ik een helder moment heb, denk ik wel eens dat sinds de avant-gardebewegingen van de twintigste eeuw elke dichter zich, of hij dat nu wil of niet, bekent tot òf een retorische opvatting van poëzie òf een mimetische of imitatieve. De archetypische tekst in die laatste traditie is Eliots The Waste Land – niet alleen met traditioneel semantische middelen wordt ons overgedragen dat we ons in of op een braakland bevinden, maar het gebeurt vooral ook door middel van de vorm. Een gedicht dat recht wil doen aan het gebrek aan samenhang in de werkelijkheid en ons dat gebrek voor ogen wil stellen, kan dat doen door zelf een gebrek aan samenhang te vertonen. Eliot, die van een kaas kon opmerken dat het nou niet bepaald de Mozart onder de kazen was, wilde, toen hij The Waste Land schreef, niet iets Mozartesks, maar ons een beeld geven van De Dingen Zoals Ze Zijn.
De versplintering van mens en wereld bezorgde een modernist als Eliot existentiële duizelingen. Voor de gemiddelde postmodernist is het een uitgangspunt waarmee hij aan de slag gaat zoals een beleidsmaker met een gegeven uit een Nipo-enquête – er valt verder niet over te discussiëren en voor het eindresultaat is het uiteindelijk niet zo heel erg interessant. Toch is het opvallend dat de postmoderne prozaschrijver radicaal andere conclusies heeft getrokken dan de postmoderne dichter. Terwijl de prozaïst naar hartenlust prettige of prettig gestoorde verhalen is gaan vertellen, heeft zijn dichtende tegenhanger vaak vastgehouden aan een formeel mimetisch ideaal dat niet zo heel erg verschilt van dat van Eliot. Dat geldt, met allerlei nuances, voor een prominente postmodernist als Oosterhoff die zijn laatste bundel de titel Ware grootte gaf – daarmee problematiseert en ironiseert hij wat hij tegelijkertijd bevestigt. Een dichter als Holvoet-Hanssen, kroongetuige in het postmodernismeboek van Vaessens en Joosten als het om coherentie gaat, rechtvaardigt de chaotische structuur van zijn bundels met een opmerking als ‘Maar zo is toch ook het leven’.
Dat mag zo zijn en De Dingen Zoals Ze Zijn mogen zijn zoals ze zijn. Toch begrijp ik niet waarom ik als lezer of dichter af zou moeten zien van het genoegen van de coherentie. Ik geef het toe: ook in mij huist een bloedserieuze calvinist of jezuïet, een asceet die ter wille van het hogere wil afzien van lagere genoegens. De waarheid gaat gekleed in grauwe tabberds. Maar kunst is niet alleen een feest voor de geest – het is ook een feest voor de zintuigen. In de gewaarwording van coherentie komen die beide samen. Het gaat misschien wel verder dan dat - misschien moeten we geen al te hoge hoed opzetten als het gaat om de menselijke geest, om de verfijnde bedradingskluwen die we onze hersenen noemen. Die bron van filosofie en ander knap denken, die onontkoombare verbindingslijn tussen de wereld en ‘onszelf’, zouden we misschien als niet veel anders moeten beschouwen dan als een zoveelste zintuig. Wie volwaardig wil leven, honoreert wat zijn zintuigen van hem verlangen. Voor het zesde zintuig ‘hersenen’ is de ervaring van coherentie een vorm van genot. Dat de samengesteldheid van de wereld ons dit genot onmogelijk lijkt te maken, betekent nog niet dat onze hersenen ervan zouden moeten afzien. Om deze bijzondere variant van het genot te kunnen ervaren, hebben we namelijk onder meer de poëzie.
Als formele mimesis of iconiciteit het poëtisch procedé bij uitstek zou zijn—wat bijvoorbeeld beweerd wordt in een invloedrijk handboek als Bronzwaers Lessen in lyriek—, zou de wonderbaarlijke wanordelijkheid van de wereld tot even wonderbaarlijk wanordelijke poëzie moeten leiden. Die wonderbaarlijk wanordelijke poëzie zou dan gelijkgesteld moeten worden aan ‘de’ poëzie. Formele mimesis is echter een procedé dat dichters ter beschikking staat naast nogal wat andere. Dat een gedicht ‘klopt’ en handelt over het leven op aarde – het is een gewaarwording die ik niet graag zou willen missen. Over die gewaarwording kunnen de psychologie van het lezen en de semantiek misschien iets verstandigs te berde brengen, maar het is geen gewaarwording die afhankelijk is van een toevallig stijlmiddel. Hoewel Eliot en Pound de goegemeente van de poëzie deden verbleken met hun aanvallen van incoherentie, berustte wat mimetisch léék uiteindelijk op niet veel meer dan een retorisch knaleffect. Volgens mij is de poëzie, ondanks alle lippendienst aan het postmodernisme, de laatste kunstvorm die zich moet bevrijden van een typisch twintigste-eeuwse exclusiviteitsfixatie. De ware vrijheid luistert naar wetten, maar die wetten presenteren zich in een oneindig meervoud en als een keuzemogelijkheid.
De witte pauw
Zoals een nogal matig gedicht de gedachte aan een echt gedicht kan oproepen, schreef de dichter – je stelt het je voor, het bestaat in je hoofd en dus bestaat het – zo verhoudt
de schepping – met alles erop en eraan, van stille vissen tot geheiligde roofdieren, parasieten die zich nestelen onder je huid, wekenlang op water en brood en dan nog niet gered worden –
zich tot de volledige denkbaarheid van het opperwezen. Nu
moet er een wending komen. Het heelal is liefde. De koning wordt duizelig als hij zijn paleis uitgaat, de tuin betreedt met oranjerie en menagerie. Ook
mijn witte pauw is een voortbrengsel van de natuur. Een kroon, een evenbeeld langs het sierperk. Exotische vruchten kietelen straks mijn smaakpapillen.
Terug naar de oogbewegingen. Het lezen van een gedicht onderscheidt zich van het lezen van proza door de intensiteit en de kortstondigheid en door de associatieve vrijheid die de lezer wordt geboden. Uiteindelijk doemt er zoiets als coherentie op voor zijn geestesoog.
Met literair proza heeft poëzie nauwelijks iets van doen. Wat er gebeurt als ik een gedicht lees of een bundel voor me heb, lijkt nog het meest op wat er plaatsvindt als ik een museum binnenloop of een galerie. U moet het niet verder vertellen, zeker niet aan dienstdoende kunsthistorici, maar nooit, werkelijk helemaal nooit, volg ik in dat geval de aanbevolen route. Zoals bij het lezen van een gedicht mijn ogen razendsnel over de bladzijde gaan, gaan mijn ogen nu razendsnel over de muren of over geëxposeerde objecten. In een staat van concentratie die vergelijkbaar is met die bij het lezen van een gedicht leg ik verbindingen tussen wat ik zie en probeer ik een staat van ontvankelijkheid te bereiken waarin wat ik zie kan resoneren. Dat ik een tentoonstelling ‘lees’ is misschien niet helemaal een metafoor. In een oogopslag zie ik een samenhang die het resultaat is van wat voorafging aan waarnemingen – aan een serie oogbewegingen. Wat zich bij een hele tentoonstelling kan voordoen, voltrekt zich ook bij een individueel schilderij of een beeld dat mijn aandacht trekt. Ook die ‘lees’ ik in zekere zin.
Ik hou nogal van het woord ‘oogopslag’. Wie een gedicht leest, gebruikt niet alleen het zintuig van zijn geest, maar vooral ook het formidabele zintuig dat ons oog is. Lezen doe je door je ogen te bewegen, door ze over de letters van het papier te laten gaan - bij een gedicht is dat natuurlijk niet anders. Maar het gedicht is ook een visuele eenheid op zichzelf – een geïsoleerd fenomeen dankzij het wit waardoor het wordt omringd. Ik neem het in een oogopslag waar als een geheel – als een Gestalt zoals dat heet in de waarnemingspsychologie. Die Gestalt, een eiland in een oceaan van betekenisloosheid, belooft coherentie en daagt de lezer uit naar die coherentie op zoek te gaan.
Het is hier dat de wegen tussen poëzie uit een orale traditie en uit de traditie van het lezen zich resoluut scheiden. Wie naar een gedicht luistert, neemt die Gestalt niet waar – de luisteraar kan op zijn hoogst proberen hem te reconstrueren wanneer de voordracht is afgelopen en bij een ook maar enigszins lang en gecompliceerd gedicht lukt hem dat niet. De lezer daarentegen ziet de Gestalt vanaf het begin. Binnen de grenzen van de Gestalt heeft de lezer eindeloos veel vrijheid om zelf naar betekenisvolheid op zoek te gaan – zoals de museumbezoeker die zich niets aantrekt van een opgelegd parcours. Wat een lezer vooral kan is: herlezen. Wanneer ik naar een gedicht luister moet ik mij voegen naar de lineariteit die de aspirant-Homerus of -Vinkenoog mij oplegt. De samenhang verdwijnt, de interpretatieve vrijheid verdwijnt – wat overblijft zijn flarden schoonheid en coherentie die ik achteroverleunend tot mij kan nemen.
Ik ben wel eens aanwezig geweest bij slamwedstrijden, en wat mij opviel was dat de jury een gedicht altijd prees om ‘sterke’ regels, nooit omdat het een sterk geheel vormde. De voordrachts- en podiummanie die de poëzie momenteel in de greep heeft, is een terugkeer naar de situatie van voor 1880. Ik zeg ‘de poëzie’, maar in feite gaat het om twee totaal verschillende kunstvormen waarbij zelfs twee verschillende zintuigen, het oog en het oor, bepalend zijn voor de waarneming. Hier, bij Perdu, gaat u graag de confrontatie aan tussen eigentijdse filosofische denkbeelden en de meest actuele poëzie. Wanneer die poëzie alleen maar wordt voorgelezen, restaureert u een communicatieve gang van zaken van vóór de bouw van het Rijksmuseum, het Centraal Station en een zekere middelbare school op de Weteringschans. U onthoudt uzelf verfijnde genoegens – die van de intellectuele sensualiteit van het lezen.
Hopeloze biedermeier
Wanneer je vertrouwd raakt met een doorsneesituatie groeit het sentiment. Uiterlijk en innerlijk lopen in elkaar over. Af en toe verschuif je de stukken van het spel waarin je opgaat. Op een tegenbeweging reageer je met een tegenbeweging. Iemand schudt je de hand en je glimlacht, je staat in je dagelijkse pak en bent geroerd
Wanneer ik een gedicht schrijf verzet ik mij tegen betekenisloosheid en beleef ik een intense en kortstondige gewaarwording van samenhang. Die gewaarwording verdwijnt snel – zeker wanneer ik aan een gedicht ga knutselen om de lezer een soortgelijke gewaarwording te bezorgen. Toch is het mooi als het lukt: uiteindelijk ben ik ook zelf een lezer van wat ik schrijf en dan heb in ieder geval bij één lezer iets moois bereikt. Met het fenomeen dichtbundel heeft die kick – want dat is het – niet zoveel te maken. Want wat is een doorsneedichtbundel anno 2009? De doorsneedichtbundel telt zo’n 45 gedichten, die doorgaans heel overdacht zijn geordend in afdelingen van zo’n gedicht of zes, acht, negen en die worden voorafgegaan door lekker flink wat motto’s. Als dichter kun je een zeer respectabele staat van dienst opbouwen door eens in de drie jaar zo’n bundeltje te laten verschijnen.
Zulke bundels en een dergelijk dichterschap hebben met de intellectuele roes die mij voor ogen staat bij het schrijven van poëzie weinig uit te staan. Voor mij als lezer van poëzie functioneert het fenomeen ‘bundel’ nauwelijks – wie op zo’n manier een bundel samenstelt is als een ijverige kunsthistoricus die een tentoonstelling inricht op basis van inzichten. Het verschil is dat iedere kunstliefhebber weet dat hij een tentoonstelling als een eenmalige gebeurtenis op moet vatten. De dichter daarentegen stuurt mij met zijn planologische uitgangspunten veel dwingender en definitiever langs een uitgezet parcours. Hij misgunt me mijn holistisch moment. De archetypische moderne dichter is voor mij Hölderlin die nooit een bundel gepubliceerd heeft en dat bij leven en welzijn misschien ook nooit gekund zou hebben. Hölderlin schreef gedichten. Het is fijn dat die gedichten uitgegeven zijn. Wanneer ik meer wil dan zwaar onder de indruk zijn van een afzonderlijk gedicht, is het enige dat ik wens een goed geredigeerde, chronologische uitgave van het verzameld werk. Met de nederige beslistheid die de lezer voegt ga ik aan de slag om tussen al dat moois de meest particuliere en exotische verbanden te leggen.
Het zou nu misschien gepast zijn om het gedicht ‘Hopeloze biedermeier’, dat ik zojuist voorlas, nog een keer voor te lezen – maar u heeft als luisteraar al zo weinig vrijheid.
Het uur van de overgave
De aanvoerder van hele legers trekt over de vlakte die verlaten ligt van andere legers. Tussen Hotel Central en Hotel Europa slaat hij zijn tenten op. Hij fonkelt in het licht dat groter zou kunnen zijn dan hijzelf. Alles is een spiegel, alles is een werkelijkheid die hij niet meer achter zich laat.
Hij spreekt tot degenen die naast hem staan en dekt zijn hoofd niet, bedekt zijn gezicht niet.
De perceptuele eenheid die een dichtbundel is, valt voor mij in het niet bij de perceptuele eenheid van het gedicht. In de beeldende kunst is het volstrekt gebruikelijk dat een schilderij een nieuwe betekenis krijgt - elke nieuwe expositie biedt een nieuwe context. Het is een vreemde paradox: de conventie van de samenhang wordt niet alleen op losse schroeven gezet door slamdichters en andere voordrachtsgoochelaars, maar ook door een begaafde postmodernist als Dirk van Bastelaere. Ook hij wil dat losse regels oplichten en schitteren in een verder niet noodzakelijkerwijs samenhangend geheel – in het gebrek aan samenhang toont zich immers de wereld. Tegelijkertijd spijkert hij zijn gedichten muurvast in de context van zijn bundels.
Toch is ook de dichtbundel een conventionele eenheid van perceptie. Vóór de emancipatie van de poëzie tot leespoëzie in de jaren ’80 van de negentiende eeuw deden dichters het anders – uitzonderingen in de renaissance daargelaten. Wat vóór de Tachtigers aan poëzie werd geschreven, genootschappelijk voorgedragen en in tijdschriften gepubliceerd, werd door dichters of uitgevers achteraf in een boek verzameld. Als ordeningsprincipe fungeerde iets doms als de chronologie of het genre – alle odes bij elkaar. Pas met Les fleurs du mal van Baudelaire en in Nederland de Mathilde-cyclus van Jacques Perk deed de dichtbundel als weloverwogen construct zijn intrede. De mentale ontwikkeling in zowel Les fleurs du mal als de Mathilde-cyclus zou een ijverige onderzoeker misschien met een narratologisch begrippenapparaat kunnen beschrijven. Dat dat wellicht mogelijk is, is kenmerkend voor zo’n bundel, maar met de lyrische impuls waar het mij om gaat, heeft het nog nauwelijks iets te maken.
Terug naar de doorsneedichter die ik natuurlijk niet wil zijn, de bundelbouwer met zijn verfijnde architectuur van vijf of zes afdelingen. Zo’n bundel berust op zijn minst op een paradoxale mix van perceptuele eisen en is misschien wel een perceptueel monstrum. De ogenblikkelijkheid van het gedicht en de lineariteit van de bundel zitten elkaar hopeloos in de weg. Wie de poëzie serieus neemt, bouwt niet aan een bundel, maar schrijft een gedicht. Dat er een bundel verschijnt waarin een flink aantal van mijn gedichten is samengebracht – het doet mij deugd. Natuurlijk. Om te ontsnappen aan de oceaan van betekenisloosheid moeten gedichten gelezen worden. Ik zie ook graag dat zo’n bundel mooi uitgegeven is, een stevige kaft heeft en prettig is geprijsd. Maar een echte dichtbundel is net zo vrijblijvend als elke andere gebeurtenis die ertoe doet – hij is ontstaan als een toevallige constellatie die, zoals het constellaties betaamt, kortstondig de wetten van de causaliteit trotseert. Wat constellaties daarna vooral moeten doen is uiteenvallen – dankzij de interpretatieve vrijheid die de lezer geboden wordt, kan een gedicht als geen andere tekst verbindingen aangaan met onbekende teksten, met wat er zich aan verbluffende inhoud bevindt in het hoofd van telkens weer nieuwe lezers. Voor een vitaal gedicht is een bundel een dwangbuis, een opgelegde orde.
Wat bestaat is die oceaan. Wat ook bestaat is betekenisvolheid – klamme en kleffe klei als je niet uitkijkt. Ergens in de regionen daartussen.
De aanwas
Wat zich spiegelt in zijn loop valt aan niets toe maar wordt die loop zelf. Het is als water voor de zee.
Je hecht je niet, stoot je niet aan wat je voet achteloos wegtrapt en dan verzeild moet raken in de berm, vervolgens begroeid raakt.
Wordt niet van de weg geraapt, slingert zich naar geen voorhoofd, maar houdt de wereld draaiend.
De laatste regel is misschien een beetje erg ondubbelzinnig, maar u begrijpt wat ik bedoel. Dank u wel.
© Gert de Jager
Terug naar Poëzie—ter inleiding Verder naar Nagekomen stemmingen: inhoud |