|
Welkom |
|
Publicatielijst |
|
De vrije sector |
|
Uit de actualiteit
De bewakers en de vissers
De bewakers
Niemand zo overtuigd van het recht op gaan en staan als de kaartspelende bewakers die wachten tot de gevangene wordt vrijgelaten hun gezichten verlicht door de lamp, opschrikkend bij elk geluid.
De vissers
Zoals de vissers die terugkeren van zee, zich vervelen, hun kinderen groter zien worden, dronken worden, hun duistere god prijzen en weer uitvaren naar de netten, naar de lichtende zee en af en toe een half uur slaap.
Razendsnel loskomen
Op een foto uit negentienzoveel staan mannen te kijken en lezen de krant. Paardenrennen, Lindbergh, de eigen hoed of pet. Publieke werken, dalende koersen, spannende processen. Er is veel te zien op een foto.
Wanneer word ik gevonden? Ik wil zijn met wie ik samenval, de structuur die ik ben. Er loopt een man door het park die af en toe zijn hoofd verliest en praat met God. Die wil ik zijn.
Wat ook weer onzin is. Er is niets dan wat zich aan fenomenen voordoet, immers. Iemand leest de krant niet, ziet een oude foto. Daar gaat een kometennevel. De geur van een sterk geurende plant (waarvan ik de naam niet ken) suggereert iets
De vriendelijke zee
Als ik zeg waar ik woon ben je het er niet mee eens. Een vriendelijke wind blaast over de diepe zee, zeg je: verbannen word je nooit.
Maar de vriendelijke wind is mijn huis niet. Ook de vriendelijke zee is mijn huis niet. Als de wind gaat liggen, verdwijnt het water op de steiger en klappert de vlag nauwelijks. Waar ik ben, houd ik het droog letterlijk en figuurlijk. Zo slim ben ik. Ik slaap elke nacht, maar als ik slaap lig ik daar verloren.
(Meander, december 2010)
De goden stonden aan de hemel als verlepte oude manen (d.w.z. het is dag) toen anno 1989 buitenaardse bewoners de inmiddels ex-communistische stad met een bezoek vereerden. Er waren de nodige sightings. Kom, pak mijn hand, sprak de vader tegen zijn zoon, het is koud hier in huis en er is wat te zien. We gaan kijken. Ze liepen naar de rand van de stad en waren onderdeel van een menigte.
Twintig jaar later loopt een zoon door het stadswandelpark met een visioen uit het verleden. Het is zomer, weer voor ijsjes en ballonnen. Hij nadert de rand van het park. Aan de rand van het park strekt de heuvel zich uit naar beneden. De zon staat in het westen, zoals hij dat doet.
Kom, het is koud hier en er is buiten wat te zien. Kom naar de rand van de stad, we worden deel van de menigte.
En in het westen, de toevallige windrichting zonder wind vandaag, manifesteert zich iets. Het is de kracht van het universum met een volwaardige intensiteit. Het is de zoete geur van vers brood en nieuwe fabrieken. Het is een uitzicht waarvan de sluier is verwijderd.
Het is de zon kijk, jongen, hij heeft een harige mantel.
Kom, het is koud hier en er is wat te zien.
Kom naar de rand van de stad.
De grazers
Terwijl de praatjesmaker een lok uit zijn haar probeert te wrijven draai ik me om en zie
de archipel. Daar ligt de archipel. Zie hem liggen op de maat van zoals hij daar ligt. De kaap
steekt uit in zee. Je strijkt met je hand door je haar, sluit je ogen. Hij ligt daar. Wat in je hoofd zit
knapt en verdwijnt in zijn eigen trechter. Wat je ziet ligt daar in een veelvoudig
contrapunt. Het schuim op de rotsen ter wille van zijn witheid. Het af en aan
der vogels. Met opengesperde ogen tastbaarheid en ook zoiets als
mededeelzaamheid. De kaap, de archipel. Je trekt op huis aan en knielt
voor het haardvuur. Kijkt naar buiten en ziet de grazers met hoge poten gaan
over het weiland.
(Dagelijks brood; dichters in de Prinsentuin 2010, Groningen 2010) Je tred
Zoals in een roman of novelle waarin het zachtjes begint te sneeuwen of dooit: je tred naar de Tempel van de Tijdelijke Gestalte.
Leg je bagage neer als je de voorhof betreedt. De muren zijn je woorden. Ze kunnen het stellen zonder je.
Een zachte aandoening
De dag dat er iets verdween uit je denken ruisten de bladeren in een zachte orkaan die ze allemaal stuk voor stuk op hun plek liet. Je lichaam, het staarde naar het ruisen en zette zich van de ene voet op de andere. Een zachte aandoening nam bezit van je en bewoog je door het park dat voor je klaar lag. Gedragen word je door de vijver en de klaterende fontein; gedragen word je door de spiegeling. Je komt thuis en ziet elk afzonderlijk ding in de wereld.
Ruw brood
De avondmaaltijd eten en vouwt de handen om het ruwe brood, het witbrood. Buiten valt het jaargetij vol op het koren de flauwe helling omhoog. Stroomt wat stroomt, tinkelt wat tinkelt. Je liep tussen de stammen van de bomen. Er was een rijzende halm van licht: van glas of onaanraakbaar metaal.
- De buren
Omdat ze zijn gewaarschuwd spreken ze me toe. Je ziet een tuin die wordt onderhouden, paperassen in orde, je trekt een jas die je past als een jas aan. Maar waar blijft het leven dat je na zult laten, het kind dat je niet krijgt? Nooit zullen we het spelen horen. Kijk onze huid. Je schrijft erop als op licht.
Het verre erf
De schilder die zichzelf het schilderij in schildert om te zien dat er iets ontbreekt de schelp die werd geoogst op het verre erf.
Wat houd je vast? Een curiositeit in de vensterbank in de holte van je hand. De bedrading van je geest die rust vindt in fijngekozen kalk.
De zee was een brug, denk je, voor zeventiende-eeuwse masten. En dan boven een oceaan de blauwe hemel. En dan dat strand.
Waar kijk je naar? Je kijkt naar azuur waar je doelbewust naast kijkt. Schapenwolken die lijken op schapenvachten.
Zonnige dagen
Er was een trap bij de heel hoge berg Bij de heel hoge berg was een trap Te steil voor het water dat brandt in je ogen Water dat een vuur kan doven
Je beklom de trap bij de heel hoge berg Aan de treden tilde je je lichaam omhoog Je lichaam bestond steeds meer uit je armen en polsen Wat je voet zocht trapte je weg
Je voet trapte in het luchtledig Je trok je op tot de top van de berg Op de berg maakte je lichaam deel uit van de berg Ook stonden daar bordjes en richtingwijzers
Je knielde neer op de top van de berg Vol water dat een vuur kan doven Toen je opstond was je een deel van het uitzicht Uitzicht vol ijlte
Je wordt omarmd door het geheel van de berg De zon aan de vleugels van je voeten Springend daal je af en voel je je knieλn en enkels De zuivere balans van je houding
Er was een trap bij de heel hoge berg Bij de heel hoge berg was een trap Te steil voor het water dat brandt in je ogen Water dat een vuur kan doven
Piepschuim of karton
Als was je meegesleept van hotel naar hotel, daar ga je nu: mijn ziel, mijn leven. Je woning is van piepschuim of karton, de koude noordenwind grijpt je.
Voedsel voor de geest
Als ik mij deze winter oprol in een cocon van nietswaardigheid antwoordt het hemelbestel, sprak de wijze. Gelezen en ongelezen boekdelen tellen op en openen zich, de vruchten in de schaal liggen erbij zoals ze erbij liggen, elektriciteit en gas ruisen via aftakkingen de kamer in, achter het condens op de ruit stroomt de rivier die dezelfde is als de rivier die niet stroomt en waarop kat en vogel voorzichtig een poging wagen.
Hemelsblauw
Zie: Het Liegend Konijn, oktober 2012 Waaier van vilt
Het is een lege hand op de rotsen. Je kijkt door het venster alsof een fluittoon zichtbaar wordt. Op het haardvuur gooi je blokken hout. Met een waaier van vilt wuif je jezelf koelte toe.
Een bal, een slag
Als je loopt of rijdt is de aarde plat, ligt de horizon voor je, zijn er drie dimensies. Dan raast het verkeer langs je heen, pauzeer je in de berm, haal je fietsers en bromfietsers in. Onbegrijpelijke tijdruimtefenomenen verbergen zich onder een pet of bolhoed, anno jaren dertig. Ver weg zijn stille oerwouden, korjalen op de rivier. Vanuit de berm te zien stapt een sportman toegerust het veld op. Hij verbeeldt zich wat gebeurt: een bal, een slag. Dan het moment van de versnelling die sterker is dan de stroom.
Voegen
In het halfduister met de straatlantaarn die opeens de eettafel verlicht en je de gordijnen doet sluiten. Midden op de dag maak je een wandeling door de stad, langs het strand. Stad of strand liggen uitgetekend voor je. Het geroep in draaimolens.
Winkelparadijzen nemen je bij de hand. Het rollen van golven komt aan. Het geroep op kades komt aan. Aan je voet het afval dat overblijft. Manoeuvrerend kies je je coφrdinaten. Je pas raakt een stroom waardoor een deur van glas opensplijt.
Vervolgens draagt het roepen je verder tot bij je huisdeur. Straks zeep je je in met zeegeur. Valt de avond. Terwijl je liep ontplooide zich een licht over de daken. Stroomde uit over het tij dat de haven vult. Eb of vloed.
Je vertrouwde pas. Je hand raakt een muur en de muur heeft voegen.
(De Contrabas Gedichtenforum, 10 augustus 2011) - Voorplecht
Krijgshandelingen die in minder dan een week een kleine binnenzee doen ontstaan steigers en ijzerwerk over de passen. Luxejachten varen rond en rond, een man in uniform loopt naar de voorplecht en staart tot de bergen verdwijnen.
Verwanten
Zie: Het Liegend Konijn, oktober 2012 - De boomgrens
Zie: Het Liegend Konijn, oktober 2012 - De perenbomen
In een schilderachtig verweerd huis, terwijl de perenbomen schudden of geschud worden, water water wordt en lucht lucht, nu en in het uur dat komt: wat kun je doen behalve wachten, je mooi aankleden, kijken naar je geliefde terwijl hij slaapt?
De wachters
Lezer, vaarwel! Van nanoseconde tot nanoseconde ga je door een omgeving en dan is er te veel omgeving. Lamp van niets boven je hoofd, tuitende trams. En op van alles groeit gras. Je lichaam het lichaam dat je niet wilde hebben. Ondanks mijn slapeloosheid slaap ik goed - wat moet ik anders?
Kijk, over mijn steen kruipt een minieme straal der maan. Mieren, mos. Een waterval van rozenbladeren in de stormwind komt tot rust als zacht tapijt. Daar ga je overheen, ingetogen fluitend of fluisterend. Grond van niets, een heel fraai hek en vertrouwde openingstijden.
Dan zijn we weer terug in de stad. Er is hier te veel omgeving, schreef ik. Je schreef over je lichaam en noemde jezelf ik. Er is een venstertje waaruit dat blijkt. Luikje, portiertje. Straks komen de wachters thuis om drank en voedsel. Straks schaatsen ze weg over vaarten en pleinen.
- Zachte vochtige textuur
Zie: Het Liegend Konijn, oktober 2012 De oude werper
Daar lig ik dan, genadig los in steeds meer stukken teruggekatapulteerd die toch steeds minder worden. Op ongeveer 3/8 sinds het begin der tijden zijn wij, wandelaar, nog steeds. Lees mij, jongemannen, en jonge meisjes ook. De oude werper kan tevreden zijn.
De muren
Een pas ingericht huis is niet waarin je wil wonen. Je wil wonen in een huis dat er is als voedsel van de voedster, de gespeende. Je loopt, volgroeid, door vertrekken die leeg zijn en geordend, of vol zijn en geordend. Het is een beeltenis die je niet laat vallen. Kijk, je hand beweegt. Een spiegel vangt de regen, doet de muren niet verkruimelen
Bekende trap
Mijn hoofd gaat op magere benen, stelten bijna, hooglopers om droog te blijven. Klinkt goed. Voeten zakken weg, schoenen. Zon landschap min of meer. Woestijn desnoods: mul of rul, hoe heet het. Je zakt er niet in weg. Of over het asfalt: natgeregend. Moegeregend. Ook goed. Straat of stoep. Kijk, nu ga ik de trap op. De trap bewijst zich.
Mannen die jong sterven
Zie: Het Liegend Konijn, oktober 2012 Om eventueel te buigen
Ik zat op een stoel en weende om alles in mijn ziel en wat daaruit zal verdwijnen: hetzelfde alles. Wateren stromen naar het diepste punt en verdampen en volbrengen hun kringloop. Dat zal mij niet gebeuren. Kosmisch staat het zevengesternte te wentelen. Deel maak ik ervan uit.
Wat zal ik zeggen? Dat het de liefde is? De liefde die de vlaggen doet wapperen? Vlaggen wapperen bij hoge kloosters. Hotels en gelegenheden wachten op gasten. Iemand opent de deur van een auto.
Je bent dichter bij je nadagen dan bij je voordagen. Wat zal ik zitten, o ziel zelf. Ik zit, ik zit om op te staan. Wie kaatst kan het kaatsen verwachten. De kaarsen branden in de spiegelzaal. Als je goed kijkt, wordt de poort geopend. Een geόniformeerde wijst je de weg. Je zat om te worden uitgenodigd. Uitgenodigd worden is wat ik wil.
Straks is er gelegenheid om de gastheer te begroeten. Je zat hier om eventueel te buigen. Je zult buigen als je bent opgestaan.
Oude wegen
Het lopen langs oude wegen vol fragmenten van zichzelf. Stukken passage onder t lover voel je in knie en schoeisel.
Er is een rustplek van stam en mos, wat eten en drinken, adem. Vanaf de kant van de weg gezien egaliseert de steenlaag.
Een mechaniek dat ertoe doet verjaagt het sentiment. Gaan samen bladerdek en wandelpas.
Als door een luik
De dichter Gorter blιιf twintig, zag in elke lente een revolutie, spoorde van geliefde naar geliefde.
Ik ben ouder dan hij was. Lig decennia naast hetzelfde lichaam, dat ik elke dag herken, maar weet niet hoe het ruikt of voelt.
De dichter Gorter loopt zijn huis uit en ziet de sterren, het overweldigende van de bloesem overweldigt hem. Als door een luik ontwaart hij de werkelijkheid. Hij schrijft vele lange regels. Hij schrijft vele korte regels.
terug naar Spiegelreflex: inhoud verder naar Verantwoording
© Gert de Jager
|