Welkom

Publicatielijst

De vrije sector

Uit de actualiteit

 

 

De bewakers en de vissers

 

 

De bewakers

 

Niemand zo overtuigd van het recht op

gaan en staan als de kaartspelende

bewakers die wachten tot de

gevangene wordt vrijgelaten –

hun gezichten verlicht door de lamp,

opschrikkend bij elk geluid.

 

 

De vissers

 

Zoals de vissers die terugkeren

van zee, zich vervelen,

hun kinderen groter zien worden,

dronken worden, hun duistere

god prijzen en weer uitvaren

naar de netten, naar

de lichtende zee

en af en toe een half uur slaap.

 

———————————————————————————

Razendsnel loskomen

 

 

Op een foto uit negentienzoveel

staan mannen te kijken en lezen

de krant. Paardenrennen, Lindbergh,

de eigen hoed of pet. Publieke

werken, dalende koersen, spannende

processen. Er is veel te zien

op een foto.

 

Wanneer word ik gevonden?

Ik wil zijn met wie ik samenval,

de structuur die ik ben.

Er loopt een man door het park die af en toe

zijn hoofd verliest en praat

met God. Die wil ik zijn.

 

Wat ook weer onzin is. Er is

niets dan wat zich aan fenomenen

voordoet, immers. Iemand leest de krant niet,

ziet een oude foto. Daar gaat

een kometennevel. De geur

van een sterk geurende plant (waarvan ik

de naam niet ken) suggereert

iets…

 

———————————————————————————

De vriendelijke zee

 

 

Als ik zeg waar ik woon ben je het

er niet mee eens. Een vriendelijke

wind blaast over de diepe zee,

zeg je: verbannen word je nooit.

 

Maar de vriendelijke wind is mijn

huis niet. Ook de vriendelijke zee

is mijn huis niet. Als de wind

gaat liggen, verdwijnt het

water op de steiger en klappert

de vlag nauwelijks. Waar ik ben,

houd ik het droog – letterlijk en

figuurlijk. Zo slim ben ik. Ik slaap

elke nacht, maar als ik slaap lig ik

daar verloren.

 

 

(Meander,  december 2010)

———————————————————————————
De sluier

 

 

De goden stonden aan de hemel als verlepte oude

manen (d.w.z. het is dag) toen anno 1989 buitenaardse bewoners

de inmiddels ex-communistische stad met

een bezoek vereerden. Er waren de nodige

‘sightings’. Kom, pak mijn hand, sprak

de vader tegen zijn zoon, het is koud hier

in huis en er is wat te zien. We gaan kijken.

Ze liepen naar de rand van de stad en

waren onderdeel van een menigte.

 

Twintig jaar later loopt een zoon

door het stadswandelpark met een visioen

uit het verleden. Het is zomer, weer voor ijsjes

en ballonnen. Hij nadert de rand van

het park. Aan de rand van het park strekt

de heuvel zich uit naar beneden. De zon

staat in het westen, zoals hij dat doet.

 

“Kom, het is koud hier en er is buiten

wat te zien.”

“Kom naar de rand van de stad, we worden

deel van de menigte.”

 

En in het westen, de toevallige windrichting

zonder wind vandaag,

manifesteert zich iets. Het is

de kracht van het universum met een

volwaardige intensiteit. Het is

de zoete geur van vers brood en nieuwe

fabrieken. Het is

een uitzicht waarvan de sluier is verwijderd.

 

“Het is de zon – kijk, jongen, hij heeft een harige mantel.”

 

“Kom, het is koud hier en er is wat te zien.”

 

“Kom naar de rand van de stad.”

 

———————————————————————————

De grazers

 

 

Terwijl de praatjesmaker een lok uit zijn haar probeert te wrijven

draai ik me om en zie

 

de archipel. Daar ligt de archipel. Zie hem liggen op de maat van

zoals hij daar ligt. De kaap

 

steekt uit in zee. Je strijkt met je hand door je haar, sluit je ogen.

Hij ligt daar. Wat in je hoofd zit

 

knapt en verdwijnt in zijn eigen trechter. Wat je ziet

ligt daar in een veelvoudig

 

contrapunt. Het schuim op de rotsen ter wille van zijn

witheid. Het af en aan

 

der vogels. Met opengesperde ogen tastbaarheid en

ook zoiets als

 

mededeelzaamheid. De kaap, de archipel. Je

trekt op huis aan en knielt

 

voor het haardvuur. Kijkt naar buiten en ziet de grazers

met hoge poten gaan

 

over het weiland.

 

 

(Dagelijks brood; dichters in de Prinsentuin 2010, Groningen 2010)

————————————————————————————

Je tred

 

 

Zoals in een roman of novelle waarin het zachtjes begint te sneeuwen of dooit: je tred naar de

Tempel van de Tijdelijke Gestalte.

 

Leg je bagage neer als je de voorhof betreedt. De muren zijn je woorden. Ze kunnen het

stellen zonder je.

 

—————————————————————————————

Een zachte aandoening

 

 

De dag dat er iets verdween uit je denken ruisten

de bladeren in een zachte orkaan die ze allemaal

stuk voor stuk op hun plek liet. Je lichaam, het

staarde naar het ruisen en zette zich van de ene

voet op de andere. Een zachte aandoening nam

bezit van je en bewoog je door het park dat voor je

klaar lag. Gedragen word je door de vijver en

de klaterende fontein; gedragen word je

door de spiegeling. Je komt thuis en

ziet elk afzonderlijk ding in de wereld.

 

—————————————————————————————

Ruw brood

 

 

De avondmaaltijd eten en vouwt de handen

om het ruwe brood, het witbrood. Buiten valt

het jaargetij vol op het koren – de flauwe helling

omhoog. Stroomt wat stroomt, tinkelt wat tinkelt.

Je liep tussen de stammen van de bomen.

Er was een rijzende halm van licht: van glas of

onaanraakbaar metaal.

 

—————————————————————————————-

De buren

 

 

Omdat ze zijn gewaarschuwd spreken ze me

toe. Je ziet een tuin die wordt onderhouden,

paperassen in orde, je trekt een jas

die je past als een jas aan. Maar waar blijft

het leven dat je na zult laten, het kind dat je niet

krijgt? Nooit zullen we het spelen horen.

Kijk onze huid. Je schrijft erop als op licht.

 

——————————————————————————————

Het verre erf

 

 

De schilder die zichzelf het schilderij in schildert om te zien dat er iets ontbreekt – de schelp

die werd geoogst op het verre erf.

 

Wat houd je vast? Een curiositeit in de vensterbank in de holte van je hand. De bedrading van

je geest die rust vindt in fijngekozen kalk.

 

De zee was een brug, denk je, voor zeventiende-eeuwse masten. En dan boven een oceaan de

blauwe hemel. En dan dat strand.

 

Waar kijk je naar? Je kijkt naar azuur waar je doelbewust naast kijkt. Schapenwolken die

lijken op schapenvachten.

 

——————————————————————————————

Zonnige dagen

 

 

Er was een trap bij de heel hoge berg

Bij de heel hoge berg was een trap

Te steil voor het water dat brandt in je ogen

Water dat een vuur kan doven

 

Je beklom de trap bij de heel hoge berg

Aan de treden tilde je je lichaam omhoog

Je lichaam bestond steeds meer uit je armen en polsen

Wat je voet zocht trapte je weg

 

Je voet trapte in het luchtledig

Je trok je op tot de top van de berg

Op de berg maakte je lichaam deel uit van de berg

Ook stonden daar bordjes en richtingwijzers

 

Je knielde neer op de top van de berg

Vol water dat een vuur kan doven

Toen je opstond was je een deel van het uitzicht

Uitzicht vol ijlte

 

Je wordt omarmd door het geheel van de berg

De zon aan de vleugels van je voeten

Springend daal je af en voel je je knieλn en enkels

De zuivere balans van je houding

 

Er was een trap bij de heel hoge berg

Bij de heel hoge berg was een trap

Te steil voor het water dat brandt in je ogen

Water dat een vuur kan doven

 

—————————————————————————————————

Piepschuim of karton

 

 

Als was je meegesleept van hotel naar hotel,

daar ga je nu: mijn ziel, mijn leven.

Je woning is van piepschuim of karton,

de koude noordenwind grijpt je.

 

—————————————————————————————————

Voedsel voor de geest

 

 

Als ik mij deze winter oprol in een cocon van nietswaardigheid antwoordt

het hemelbestel, sprak de wijze. Gelezen en ongelezen boekdelen tellen op en openen zich,

de vruchten in de schaal liggen erbij zoals ze erbij liggen, elektriciteit en gas

ruisen via aftakkingen de kamer in, achter het condens op de ruit

stroomt de rivier die dezelfde is als de rivier die niet stroomt en waarop kat en vogel

voorzichtig een poging wagen.

 

—————————————————————————————————

Hemelsblauw

 

 

Zie: Het Liegend Konijn, oktober 2012

—————————————————————————————————

Waaier van vilt

 

 

Het is een lege hand op de rotsen.

Je kijkt door het venster alsof een fluittoon zichtbaar wordt.

Op het haardvuur gooi je blokken hout.

Met een waaier van vilt wuif je jezelf koelte toe.

 

——————————————————————————————————

Een bal, een slag

 

 

Als je loopt of rijdt is de aarde plat, ligt de horizon

voor je, zijn er drie dimensies. Dan

raast het verkeer langs je heen, pauzeer je

in de berm, haal je fietsers en bromfietsers in.

Onbegrijpelijke tijdruimtefenomenen

verbergen zich onder een pet of bolhoed,

anno jaren dertig. Ver weg

zijn stille oerwouden, korjalen op de rivier.

Vanuit de berm te zien stapt een sportman

toegerust het veld op. Hij verbeeldt zich

wat gebeurt: een bal, een slag.

Dan het moment van de versnelling die

sterker is dan de stroom.

 

————————————————————————————————————

Voegen

 

 

In het halfduister met de straatlantaarn die opeens

de eettafel verlicht en je de gordijnen doet sluiten. Midden

op de dag maak je een wandeling door de stad, langs het strand.

Stad of strand liggen uitgetekend voor je. Het geroep in draaimolens.

 

Winkelparadijzen nemen je bij de hand. Het rollen van golven

komt aan. Het geroep op kades komt aan. Aan je voet het afval

dat overblijft. Manoeuvrerend kies je je coφrdinaten.

Je pas raakt een stroom waardoor een deur van glas opensplijt.

 

Vervolgens draagt het roepen je verder tot bij je huisdeur.

Straks zeep je je in met zeegeur. Valt de avond.

Terwijl je liep ontplooide zich een licht over de daken.

Stroomde uit over het tij dat de haven vult. Eb of vloed.

 

Je vertrouwde pas.

Je hand raakt een muur en de muur heeft voegen.

 

 

(De Contrabas Gedichtenforum, 10 augustus 2011)

————————————————————————————————————-

Voorplecht

 

 

Krijgshandelingen die in minder dan een week

een kleine binnenzee doen

ontstaan –  steigers en ijzerwerk over de

passen. Luxejachten varen rond

en rond, een man

in uniform loopt naar de voorplecht en

staart tot de bergen verdwijnen.

 

————————————————————————————————————

Verwanten

 

 

Zie: Het Liegend Konijn, oktober 2012

——————————————————————————————–—————-

De boomgrens

 

 

Zie: Het Liegend Konijn, oktober 2012

——————————————————————————————————–-

De perenbomen

 

 

In een schilderachtig verweerd huis,

terwijl de perenbomen schudden of

geschud worden, water

water wordt en lucht lucht,

nu en in het uur dat komt: wat

kun je doen behalve wachten,

je mooi aankleden, kijken

naar je geliefde terwijl hij slaapt?

 

———————————————————————————————————

De wachters

 

 

Lezer, vaarwel! Van nanoseconde tot nanoseconde ga je door een omgeving en dan is er

te veel omgeving. Lamp van niets

boven je hoofd, tuitende trams.

En op van alles

groeit gras. Je lichaam het lichaam dat je niet wilde hebben.

Ondanks mijn slapeloosheid slaap ik goed - wat moet ik anders?

 

Kijk, over mijn steen kruipt een minieme straal

der maan. Mieren, mos.

Een waterval van rozenbladeren in de stormwind – komt tot rust

als zacht tapijt.

Daar ga je overheen, ingetogen fluitend of fluisterend.

Grond van niets, een heel fraai hek en vertrouwde openingstijden.

 

Dan zijn we weer terug in de stad. Er is hier

te veel omgeving, schreef ik. Je schreef over je lichaam en noemde

jezelf  ‘ik’. Er is een venstertje waaruit dat blijkt.

Luikje, portiertje.

Straks komen de wachters thuis om drank en voedsel.

Straks schaatsen ze weg over vaarten en pleinen.

 

————————————————————————————————————-

Zachte vochtige textuur

 

 

Zie: Het Liegend Konijn, oktober 2012

——————————————————————————————————————

De oude werper

 

 

Daar lig ik dan, genadig los

in steeds meer stukken teruggekatapulteerd die toch steeds minder worden.

Op ongeveer 3/8 sinds het begin der tijden zijn wij, wandelaar, nog steeds.

Lees mij, jongemannen, en jonge meisjes ook.

De oude werper kan tevreden zijn.

 

——————————————————————————————————————

De muren

 

 

Een pas ingericht huis is niet waarin

je wil wonen. Je wil wonen

in een huis dat er is als voedsel

van de voedster, de gespeende.

Je loopt, volgroeid,

door vertrekken die leeg zijn en

geordend, of vol zijn

en geordend. Het is een

beeltenis die je niet laat vallen.

Kijk, je hand beweegt.

Een spiegel vangt de regen, doet

de muren niet verkruimelen

 

——————————————————————————————————————

Bekende trap

 

 

Mijn hoofd gaat op magere benen, stelten bijna,

hooglopers om droog te blijven.

Klinkt goed. 

Voeten zakken weg, schoenen. Zo’n landschap

min of meer.

Woestijn desnoods: mul of rul,

hoe heet het.

Je zakt er niet in weg.

Of over het asfalt: natgeregend.

Moegeregend. Ook goed.

Straat

of stoep.

Kijk, nu ga ik de trap op.

De trap bewijst zich.

 

——————————————————————————————————————

Mannen die jong sterven

 

 

Zie: Het Liegend Konijn, oktober 2012

——————————————————————————————————————

Om eventueel te buigen

 

 

Ik zat op een stoel en weende

om alles in mijn ziel en wat daaruit

zal verdwijnen: hetzelfde alles.

Wateren stromen naar het diepste punt

en verdampen en volbrengen hun

kringloop. Dat zal mij niet gebeuren.

Kosmisch staat het zevengesternte

te wentelen. Deel maak ik ervan uit.

 

Wat zal ik zeggen? Dat het de liefde is?

De liefde die de vlaggen doet

wapperen? Vlaggen wapperen

bij hoge kloosters. Hotels en

gelegenheden wachten op gasten.

Iemand opent de deur van een auto.

 

Je bent dichter bij je nadagen dan bij je

voordagen. Wat zal ik zitten, o ziel zelf.

Ik zit, ik zit om op te staan.

Wie kaatst kan het kaatsen verwachten.

De kaarsen branden in de spiegelzaal.

Als je goed kijkt, wordt de poort

geopend. Een geόniformeerde

wijst je de weg. Je zat

om te worden uitgenodigd.

Uitgenodigd worden is wat ik wil.

 

Straks is er gelegenheid om de gastheer

te begroeten.

Je zat hier om eventueel te buigen.

Je zult buigen als je bent opgestaan.

 

——————————————————————————————————————

Oude wegen

 

 

Het lopen langs oude wegen

vol fragmenten van zichzelf.

Stukken passage onder ’t lover

voel je in knie en schoeisel.

 

Er is een rustplek van stam en mos,

wat eten en drinken, adem.

Vanaf de kant van de weg gezien

egaliseert de steenlaag.

 

Een mechaniek dat ertoe doet

verjaagt het sentiment.

Gaan samen bladerdek

en wandelpas.

 

——————————————————————————————————————

Als door een luik

 

 

De dichter Gorter blιιf twintig,

zag in elke lente een revolutie,

spoorde van geliefde naar geliefde.

 

Ik ben ouder dan hij was.

Lig decennia naast hetzelfde lichaam,

dat ik elke dag herken,

maar weet niet hoe het ruikt

of voelt.

 

De dichter Gorter loopt zijn huis uit

en ziet de sterren,

het overweldigende  van de bloesem

overweldigt hem.

Als door een luik ontwaart hij

de werkelijkheid.

Hij schrijft vele lange regels.

Hij schrijft vele korte regels.

 

——————————————————————————————————————

terug naar Spiegelreflex: inhoud

verder naar Verantwoording

 

© Gert de Jager