|
Welkom |
|
Publicatielijst |
|
De vrije sector |
|
Ter inleiding
Vanaf het moment dat ik poëzie las heb ik ook poëzie geschreven. Sinds 1988 is er het nodige in druk verschenen: een stuk of vijftig gedichten in tijdschriften als Hollands Maandblad, De Tweede Ronde, De Revisor en DWB. Eén gedicht, De rijpe meester bedient de jonge dichter op zijn wenken, werd zelfs opgenomen in een bloemlezing met het beste uit de tijdschriften van dat jaar. In Gedichten 1990, samengesteld door Hubert Van Herreweghen en Willy Spillebeen, figureert mijn toenmalige pseudoniem Peter de Visser tussen Mirjam Van Hee en Eddy van Vliet; wanneer ik onder mijn eigen naam had gepubliceerd had ik een plaats gevonden tussen Geert van Istendael en C.O. Jellema.
Publiceren onder pseudoniem vond ik in de jaren dat ik debuteerde hard nodig. In de beschaafde slangenkuil van jonge, ambitieuze literatuurwetenschappers had ik er weinig behoefte aan om schuin aangekeken te worden wegens versjes in het tijdschrift van K.L. Poll. Het probleem met een pseudoniem – meer een anoniem in dit geval en in een bui van onverschilligheid gekozen – is dat je er vervolgens aan vast zit. Toen ik in 2001, na zes jaar geen poëzie gepubliceerd te hebben, weer eens iets naar een tijdschrift opstuurde, gaf ik ‘Peter de Visser’ dan ook fluitend zijn congé.
Uit de bio-bibliografische notities bij Gedichten 1990 blijkt dat alle medewerkers één of meer dichtbundels op hun naam hebben staan. Ruim vijftien jaar later is dat nog steeds niet iets wat ik kan zeggen – terwijl er zoveel op de markt komt. Mijn tijdschriftpublicaties hebben er niet toe geleid dat redacteuren van uitgeverijen me in drommen hebben benaderd; er zijn verrassender constateringen denkbaar. Zelf heb ik slechts een enkele keer iets als een bundel naar een uitgeverij opgestuurd. Met het verschijnsel bundel heb ik als lezer, maar zeker ook als schrijver, enige moeite. Dat geldt vooral voor wat inmiddels overal ter wereld de standaarddichtbundel is geworden: een boekje van zo’n 45 pagina’s met een welbewuste en doordachte opzet.
Wat ik de afgelopen jaren aan poëzie heb geschreven en nog steeds lezenswaardig vind, presenteer ik daarom in zijn geheel hier. De ideale dichtbundel is in mijn ogen een dik boek waarin de lezer bladert en waarin zijn aandacht af en toe wordt vastgehouden. In een dichtbundel loopt men rond als in een museum. Met een mate van intensiteit die bij een lineair proces als het lezen van proza of het bekijken van een film ondenkbaar is, wordt er gedurende korte tijd iets beleefd wat op geen enkele andere manier beleefd kan worden. De kortstondigheid van de ervaring komt tamelijk mooi naar voren in de titel van een van de gedichten: Spiegelreflex. Ook om een meer voor de hand liggende reden lijkt me dat een goede omschrijving voor wat ik in ongeveer 120 gedichten na heb willen streven.
Wat zich reflecteerde werd zichtbaar op kladpapier of een beeldscherm tussen het midden van de jaren tachtig en het heden. Hoewel ik met de man die ik was op mijn dertigste en zijn verstechnische besognes soms weinig meer gemeen heb, heeft hij ongeveer net zo veel recht van spreken als ik nu. De gedichten die op de een of andere manier stand lijken te houden, bied ik daarom aan in negen afdelingen op basis van een chronologische ordening die niet al te rigide in acht werd genomen. Met de laatste afdeling, Het hoogstpersoonlijke, voel ik op dit moment vanzelfsprekend de meeste affiniteit. Wat heel recent is, komt daar nog na en staat hier.
De toegangspoort tot afdelingen en gedichten is de inhoudsopgave. Onderaan de gedichten staat een eventuele publicatiedatum vermeld. Niet alle gedichten die in tijdschriften werden gepubliceerd vind ik nog steeds de moeite waard; ze zijn dus niet allemaal opgenomen. De inhoudsopgave maakt ook melding van een verantwoording. Ik ga daarin kort in op verwijzingen naar het werk van anderen. Vanzelfsprekend berust op alle gedichten copyright – het geldt zelfs voor een onschuldig tekstje als deze inleiding.
Naschrift september 2009
Dit schreef ik, op een enkele aanvulling na, in mei 2007. En dan komt er toch een bundel, Sterk zeil, en dan is hij mooi geworden ook.
Rond de tijd van verschijning hield ik een lezing in de reeks Vers van het mes van Perdu. Als bijna gedebuteerd dichter werd ik geacht daarin een kleine poëtica ten beste te geven. Omdat in die lezing veel van het bovenstaande terugkomt en uitgewerkt wordt, publiceer ik hem hier in de vorm waarin ik hem uitgesproken heb. Dat het verschil tussen oraliteit en wat ik maar even ‘schriftuurlijkheid’ noem stilistische consequenties heeft, is een gelukkig toeval—het laat in de praktijk zien wat ik tamelijk theoretisch aan de orde stel. Kunnen tangconstructies iets bewijzen? Ja, dat kunnen ze. Lees maar.
Naschrift januari 2010
Vier gedichten werden opgenomen in de bloemlezing Nog een lente; 30 dichters gekozen door Meander. Zie hier.
Naschrift april—juni 2010
Genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs, die op 15 juni werd toegekend aan Delphine Lecompte. De prijs werd uitgereikt tijdens Poetry International; in de festivalbrochure lieten de genomineerden zich verleiden tot een poëticaal statement. Het juryrapport gaf me het gevoel dat de jury goed had begrepen wat ik als dichter wil. .
Op 8 mei werd ik geïnterviewd door Wim Brands voor De Zaterdagbijlage van De Avonden. Op het weblog van Tzum verscheen deze recensie. Verder recensies in De Groene Amsterdammer (10 juni), NRC Handelsblad (11 juni), Trouw (12 juni) en Poëziekrant (juni-juli 2010). De laatste, van de hand van Pascal Cornet, getuigt van een indringende lectuur die een dichter opgewekt stemt. Ongedateerd is een kort Biblion-signalement.
© Gert de Jager
|